4 september 2011
Internet? JAAAA!
Tot mijn grote vreugde las ik in het laatste nummer van ons Federatieblad, dat er serieuze plannen zijn om een internetverbinding te installeren die bereikbaar is voor álle tuinhuisbewoners. Als dat plan doorgaat, wordt een droom van mij eindelijk werkelijkheid.
Al jaren ben ik wat internet betreft aan het ‘klooien’. Zolang ik nog niet met pensioen ben heb ik het namelijk niet alleen voor mijn ‘lol’, maar ook dagelijks voor mijn werk nodig. Helaas beschikt het tuinhuisje dat ik destijds heb gekocht niet over een kabel-telefoonaansluiting. En toen ik die alsnog aanvroeg, bleek de KPN niet meer in dit soort graafwerk te investeren omdat de kabel wordt beschouwd als ‘achterhaald’. Dus besloot ik over te gaan tot de aanschaf van een ‘dongel’: een soort USB-stick waarmee je overal op internet kunt inloggen. Goedkoop was het niet maar beter dat, dan noodgedwongen op twee hoog achter mijn volkstuin zitten missen (én verwaarlozen), nietwaar?
Helaas bleek de verbinding van KPN te zwak om een regelmatige ontvangst te garanderen. Als het meezat, had ik hooguit een kwartiertje, 20 minuten bereik per dag, de rest van de tijd ging voornamelijk op aan gevloek en ernstige frustraties. Aan het eind van het seizoen was het dus exit KPN. De teleurstelling was des te groter, omdat mijn digitale tv het altijd wél doet!
Meeliften
Het jaar daarop werd mijn Gouden Jaar: ik mocht namelijk meeliften op het internet van de buren! We deelden de kosten en voor dat luttele bedrag kon ik mij dag en nacht uitleven op mijn laptop. Helaas werd dit abonnement het jaar daarop niet voortgezet, zodat ik terug bij af was. Ik besloot een nieuwe dongel-poging te wagen, nu bij Vodafone, waar ze beweerden altijd en overal bereikbaar te zijn.
Mooi niet dus, het bereik was zo mogelijk nog slechter dan voorheen. Getergd diende ik een klacht in om zo mijn (jaar)abonnement direct weer op te kunnen zeggen maar dat ging zomaar niet! Binnen een week kreeg ik van Vodafone een lange brief van twee kantjes, waarin uitvoerig werd uitgelegd dat, als ik mijn laptop nu maar hoog in de lucht hield, “liefst op een bomenvrije lokatie”, de verbinding het wel degelijk zou doen. -Serieus!! Pissig schreef ik terug: “Hoe denkt u dat ik mijn laptop kan gebruiken als ik hem boven mijn hoofd moet houden en zelfs het toetsenbord niet kan bereiken? Een vogeltje africhten misschien?” Gelukkig viel er al spoedig een tweede brief in de bus, waarin het bedrijf zijn excuses maakte en mijn abonnement ‘vanzelfsprekend’ weer ophief, nu het zijn doel voorbij bleek te schieten.
Maar opnieuw zat ik zonder internet. Het afgelopen seizoen heb ik getracht mij tevreden te stellen met de internetverbinding van de kantine. In zekere zin leek dat een oplossing, maar de praktijk bleek helaas weerbarstiger dan verwacht. De momenten waarop ik internet gebruik liggen doorgaans in de ochtend, als de kantine dus dicht is. En op dat tijdstip staan er geen tafels en stoelen buiten. Zodat ik, die paar keer dat ik het erop waagde, onhandig zat te balanceren op het randje van de speeltuin met een wel érg trage verbinding. Bovendien bleek het wachtwoord het al snel niet meer te doen. Gewijzigd? Afgesloten? Geen idee. Maar de rest van het seizoen zat ik als vanouds weer thuis te schrijven.
Voordelen collectieve aanpak
Edoch: nu gloort er hoop aan de horizon... Als het bestuursplan doorgaat, breekt (althans voor mij) een waar Walhalla aan! Ik hoop dan ook vurig, dat er voldoende Federatiegenoten zullen zijn die óók JA zeggen tegen dit geweldige voorstel. Natuurlijk, in eerste instantie uit eigenbelang, maar er zijn méér redenen om een collectieve aanpak te overwegen. Want ook al is het internettijdperk tot nu toe wellicht aan menigeen van u voorbij gegaan, feitelijk valt dit fenomeen niet meer uit het dagelijks leven weg te denken – iets wat zeker geldt voor de jongere generatie. En laten we wel wezen: ooit zullen wij hier stuk voor stuk in onze kist worden weggedragen (eerder niet natuurlijk!!). En nieuwkomers zullen beslist eerder een huisje kopen als ze zeker weten dat ze de geneugten van de moderne maatschappij hier niet hoeven te missen (geen leegstand). Zo is het altijd al gegaan. Denk maar aan onze tenten van vroeger, die op de campings ineens plaats moesten maken voor caravans. Of onze mobieltjes, aanvankelijk een hebbeding voor the happy few (die ik toen nog voor gek versleet als ik ze op straat ineens hardop hoorde praten) maar inmiddels een gebruiksvoorwerp, waarvan er in het gemiddelde gezin zeker vier aanwezig zijn. Bovendien zijn de bewoners van de Federatie sowieso luxepoppetjes: wij zijn immers het enige volkstuinencomplex dat over centrale electriciteit beschikt! Dus waarom zouden wij die chique stijl niet voortzetten? -Over ‘the happy few’ gesproken! De enige voorwaarde is: zoveel mogelijk medestanders. Want we willen het natuurlijk wél krijgen voor een prikkie...
Emma Veenstra
MOESTUIN
Een moestuin. Dat leek mij het ultieme antwoord op de huidige kredietcrisis. En tegelijkertijd een eerbetoon aan het volkstuinfenomeen in het algemeen. Die tuinen waren destijds immers speciaal in het leven geroepen om arme Amsterdammers, na de 2e wereldoorlog, te helpen in hun onderhoud te voorzien?
Tegenwoordig zijn de slakroppen, sperziebonen, worteltjes en bloemkolen bijna overal vervangen door bomen, heesters en kleurrijke planten, maar het zou me niets verbazen als geleidelijk aan méér bewoners van De Federatie zich wederom tot het moestuinwezen bekeren. Hoewel? Een gewaarschuwd mens telt voor twee…
Geen één-twee-drietje
Ik besloot dit voorjaar bescheiden te beginnen. Want het (onder)houden van een moestuin is in de praktijk niet altijd een ‘één-twee-drietje’, had ik mij laten vertellen.
Nou, dat bleek. Ondanks de hulp van een vriendin kostte het voorbereidend werk ons alleen al meer dan een week. In het hoekje grond dat ik voor mijn groenteproject had bestemd stond onder meer een forse struik, die eerst gerooid moest worden. Urenlang waren we met schoffel, zaag en schep in de weer om de wortels rondom los te spitten. Maar het enige resultaat was: spit in mijn rug! Zo kwam het dat ik ‘eerbiedig gebogen’ voor mijn zoon stond, toen ik hem vroeg ons te komen helpen. “Tuurlijk ma!” Binnen een kwartier lag de enorme stronk bij het tuinafval. Ik redde mijn gezicht door te benadrukken, hoe zwaar en intensief het onmisbare ‘voorwerk’ was geweest. “Tuurlijk ma…”
Na het strooien van zes zakken nieuwe aarde konden de plantjes er in. Voorlopig van alles één exemplaar: 1 komkommer, 1 courgette, 1 aubergine, 1 witte en 1 rode kool etc. etc.
Het stond er prachtig bij in mijn ogen. En tot mijn grote vreugde ging het nog ‘s dagenlang regenen ook – wat zouden mijn kooltjes lekker groeien!
Zodra de zon weer doorbrak, nodigde ik vol trots mijn vriendin uit om te komen kijken. “Tatááá!” riep ik uitnodigend toen, om de hoek van mijn tuinhuis, het moestuintje in zicht kwam. “Maar… wat is hier gebeurd?” vroeg mijn vriendin, “ik zie alleen maar steeltjes staan!” Steeltjes? Geschrokken volgde ik haar wijzende vinger. Verrek, ze had gelijk! Ruim de helft van al mijn aanplant was letterlijk tot de bodem toe afgevreten. Alleen mijn aardbeienplant stond nog overeind…
Konijnen
“Konijnen…”, knikte mijn buurvrouw somber, toen ik het drama uit de doeken deed. “Die beesten vreten alles op. Het is een ware plaag momenteel; ze hebben hier niet één natuurlijke vijand!”
Maar vanaf nu hadden ze die wel: mij! Waar ik voorheen vertederd toekeek hoe die ogenschijnlijk schattige beestjes in het ochtendgloren rondhuppelden, nam ik ze nu in gedachten onder schot. Mijn moestuin naar gort! Ik zocht naar oplossingen en nam alle adviezen die ik kreeg ter harte.
Zo legde ik een omheining van kippengaas aan, rondom én bovenop, waarbij ik moedig mijn prikkende rozenstruiken trotseerde. Ook stak ik overal teentjes knoflook in de grond, want dat scheen volgens mijn buurvrouw konijnen af te schrikken, “net zoals de vampiers in die film van Polanski: ‘Met jouw tanden in mijn nek’.” Ten overvloede bracht ik zes dikke bollen knoflook aan de kook, om het kookvocht over mijn hele moestuin uit te gieten.
Toen wachtte ik af. Maar wat er ook gebeurde, geen blaadje kool of sla kwam er bij… Terwijl mijn kippengaasnetwerk zo te zien toch in tact was gebleven! Hoe viel dat nou te rijmen?
“Naaktslakken…”somberde een buurman van de andere kant, “die beesten vreten alles op.” Nááktslakken??? Stond mijn pasgeboren moestuintje dáár aan bloot? Het kostte een paar dagen voor ik deze nieuwe boodschap verwerkt had. Maar inmiddels heb ik een besluit genomen: voortaan koop ik mijn groenten gewoon weer bij de supermarkt. En die naaktslakken? Die sla ik tot moes!
Hartelijke groeten van
Emma Veenstra
(Bachuslaan 45)
24-07-2009.
Help! Politie!
‘De politie is je béste kameraad…’ Dat was in mijn jeugd een populair liedje, en vanuit mijn kinderlijke onschuld zong ik het uit volle borst mee. Ik geloofde de tekst heel letterlijk en wierp elke agent die ik tegenkwam een brede glimlach toe. Mijn opa deed er nog een schepje bovenop door heldenverhalen te vertellen uit de tijd, dat hij als rechercheur op Kattenburg werkte. Je zou zweren dat elke Amsterdamse boef dolblij was als hij door mijn opa ingerekend werd! Maar dat beeld van ‘Oom Agent’ is nu definitief om zeep geholpen. Eigen schuld, dikke bult. Luister - en huiver.
‘Zeg Emma’, zei mijn buurvrouw op de volkstuin laatst, ‘wist je dat je bumper aan diggelen ligt?’ Mijn bumper aan diggelen? Wat kregen we nou? ‘Ja, je bent aangereden bij de hoofdingang - door de politie!’ Door de politie? Het moest niet gekker worden. ‘Ze komen er niet mee weg hoor’, troostte mijn andere buurman, ‘ik heb meteen foto’s van alles gemaakt!’ Een goede buur is beter dan een verre vriend. Zeker in dit geval! Het bevreemdde mij namelijk, dat de politie niet even langs was gekomen. ‘Ja, dat zijn ze volgens hun eigen zeggen wel, maar je was niet op je tuin’. Ik niet op mijn tuin? Kom nou, ik had de hele middag achter mijn huisje in de zon liggen bakken!
Nou ja, waarschijnlijk hadden ze wel een briefje achtergelaten, bedacht ik. Maar nee, er zat niks in de brievenbus. Achter de ruitenwissers misschien? Ook niet, nada, noppes. Nou, dan moest er wel een bericht thuis op het antwoordapparaat staan. Met tegenzin reed ik in m’n gehavende karretje naar mijn ‘stadse’ onderkomen terug. Maar ook daar geen enkel teken van leven.
Achtervolging
Ik zal de lezers mijn verdere speurtocht van kastje naar muur en van muur naar kastje besparen, maar om half elf ’s avonds had ik hem eindelijk te pakken: de dader. ‘Ja sorry’, zei het jong klinkende agentje, ‘we achtervolgden een paar zigeunerachtige dieven en toen –ha ha!- ging het er nét iets te hard aan toe…’ De politiewagen bleek total loss. Ja, een beetje lullig, vond hij, want hij had net die week zijn diploma als politieman behaald.
De buren stonden bij terugkeer al klaar om mijn ervaringen te vernemen. ‘Een achtervolging? Welnee…’, zei de buurvrouw droog. ‘Die knul was gewoon verkeerd gereden! Zijn collega’s stonden aan de andere kant van het park. En toen hij dat doorkreeg, draaide hij achteruit als een gek: boem!’
Binnen de kortste keren waren er drie politiewagens verschenen, wist de buurvrouw. ‘Maar als wij ze nodig hebben komt er geen hond!’
De volgende dag moest ik naar het bureau komen om de zaken voor de verzekering op papier te zetten. Een stempel van de politie deed dienst als handtekening, want de jonge dader zelf was op vakantie gegaan (Van zo’n traumatische ervaring moet je wel even bijkomen natuurlijk). Gelukkig was de schuldvraag duidelijk: die lag bij de agent. Dat erkende ook zijn vervanger loyaal. ‘Toch was het wel aardig geweest als jullie me iets hadden laten weten’, zei ik. ‘Het is dat de buren het mij verteld hebben, anders zat ik me nu nóg af te vragen wat er was gebeurd!’ Oeps, daar hadden ze eventjes niet aan gedacht. Ze waren ook zo druk bezig geweest met wegslepen en zo… ‘Wist u dat je strafbaar bent als je wegrijdt na een aanrijding zonder achterlating van gegevens?’ vroeg ik quasi-achteloos. De agent kreeg plotseling een hevige hoestbui, waardoor het antwoord onduidelijk bleef. ‘Uchevlfgrrambam…’ zei hij. Juist, ja. ‘En de dieven?’ groef ik verder, een Miss Marple aflevering waardig, ‘hebben jullie die nog opgepakt?’ Nee, helaas, zij waren allemaal ontkomen.
Dat verbaasde mij niets. Waarschijnlijk zitten die, ‘zigeunerachtig’ en wel, nog steeds achter een tuinhuisje verscholen. Onvindbaar, bakkend in de zon…
Emma Veenstra